Een gevaar voor de academische vrijheid?

wo 12 jun 2024 - 14:12

Rechter weigert bezetters uit de lokalen van de UGent te laten zetten.

(Artikel door Boudewijn Bouckaert, erevoorzitter van denktank Libera! en laureaat van de Prijs voor de Vrijheid 2022, zoals oorspronkelijk gepubliceerd op Hypatia-Academia op 12 juni 2024.)

Sinds 6 mei bezetten een aantal personen, studenten maar ook buitenstaanders, de hall van het Universiteitsforum (UFO) van de Gentse universiteit. De bezetters hebben zich stevig genesteld in het gebouw door het opstellen van tentjes waar zij de nacht doorbrengen, door het opbouwen van een houten staketsel waarop allerlei pro-Palestijnse en anti-Israëlische leuzen staan en door het inrichten van een naar Mekka gerichte gebedsruimte. In hun tweetalige Engels-Arabische pancarten en pamfletten eisen zij het verbreken van alle banden met Israëlische academische instellingen en bedrijven en een doorgedreven klimaatbeleid vanwege de universiteit.  De bezetters haalden hun slag thuis, want op 31 mei besloot de raad van bestuur van Gent alle banden met Israëlische instellingen te verbreken. Ook met degenen die niet betrokken zijn bij de oorlogsvoering. Voordien was reeds een dialoog opgestart met de bezetters, eerst door de rector zelf, nadien door Imam Benhaddou. De rector had gehoopt dat na de volledige inwilliging van hun eisen de bezetters zouden vertrekken, maar nee dus. De bezetters formuleerden nieuwe eisen zoals het verbreken van alle contracten met Israëlische bedrijven en vage klimaateisen.

Door de bezetting werd het UFO-auditorium onbruikbaar om examens te organiseren en moesten de studenten in verder afgelegen klaslokalen plaatsnemen. Bovendien kondigden actievoerende PhD-studenten, die werden ingezet om toezicht te houden op de examens, dat zij het spieken door de vingers zouden zien, uit protest tegen de situatie in Gaza. Op 24 mei deden zich gewelddadige incidenten voor met het personeel van de universiteit: de ramen van het rectoraat werden volgespoten met rode verf en één student stond op de vensterbank van de derde verdieping van het rectoraat te manifesteren.

Om aan de onbeschikbaarheid van het UFO-gebouw een einde te stellen en eventueel verdere incidenten en ongelukken te vermijden, besloot de rector tot juridische actie over te gaan. In een verzoekschrift van 7 juni vraagt de universiteit aan de rechtbank dat een bevel wordt verleend tot onmiddellijke ontruiming, dat de openbare macht tussenkomt als er geen vrijwillig gevolg wordt gegeven aan dit bevel, dat een nieuwe bezetting wordt gesanctioneerd met een dwangsom van € 200 per inbreuk op de ontruiming.

Dringend en eenzijdig

Men kan dringende maatregelen vragen bij de voorzitter van de rechtbank die dan snel en alleen in een zogenaamd kortgeding kan beslissen. Als het ’volstrekt noodzakelijk’ is dan kan, volgens artikel 584 Gerechtelijk Wetboek, de voorzitter zelfs beslissen op basis van een eenzijdig verzoekschrift zonder de argumenten van eventuele tegenpartijen gehoord te hebben. Deze proceduremogelijkheid wordt weleens gebruikt door werkgevers om stakingspiketten, die werkwilligen met geweld tegenhouden, te laten verwijderen.

Of hier voldaan is aan het criterium van volstrekte noodzakelijkheid om de eenzijdigheid te justifiëren, laat ik in het midden. Zoals voorzitter De Waele in het bevelschrift opmerkt, moet met dergelijke eenzijdige procedures voorzichtig omgesprongen worden, want zij zetten immers het recht van verdediging opzij, wat toch een fundamentele regel is in een rechtsstaat.  Misschien had de universiteit beter gemikt op een tegensprekelijk kortgeding. Dat had wat langer geduurd, maar had misschien meer kans gehad op slagen. Toch moet opgemerkt worden dat de bezetters bestaan uit een wisselende populatie van mensen van binnen en buiten de universiteit en dat het bijgevolg moeilijk is deze groep als tegenpartij te identificeren. Dat kan wellicht beschouwd worden als een voldoende reden om met ‘volstrekte noodzakelijkheid’ tot deze eenzijdige procedure over te gaan. Als de tegenpartij ‘ongrijpbaar’ is, rest alleen maar deze mogelijkheid.

Het grondrecht op protest

Interessanter dan voorgaande procedurekwestie zijn de principiële punten die voorzitter De Waele inroept om de vraag naar ontruiming af te wijzen. Studenten hebben, aldus de rechter, een grondrecht op protest en demonstreren en dat grondrecht mogen zijn bij uitstek uitoefenen aan de universiteit. En zeker aan het UFO, want wijst de naam Forum niet op een plaats voor maatschappelijk debat? Zoals gezegd bevinden zich onder de bezetters ook veel buitenstaanders en men zich kan afvragen of het ‘protestprivilege’, dat de voorzitter aan studenten toekent, ook op hen toepasselijk is.

Hij geeft toe dat dit grondrecht niet onbeperkt is maar het kan slechts beperkt worden als het ‘volstrekt noodzakelijk’ is zoals bijvoorbeeld voor redenen van openbare veiligheid, bescherming van de gezondheid, bescherming van grondrechten van derden (recht op arbeid, recht op onderwijs). De rechter is van oordeel dat geen van deze beperkende redenen hier gelden, want de bezetters gedragen zich vreedzaam, de examens kunnen plaatsvinden, zij het in andere lokalen, en de incidenten op 24 mei waren volgens hem miniem. Bijgevolg moet het grondrecht van protest geëerbiedigd worden en kan geen gevolg gegeven worden aan het eenzijdig verzoekschrift van de universiteit.

Deze redenering van rechter De Waele zit echter grondig fout.  Natuurlijk hebben burgers in ons land een fundamenteel recht om te protesteren tegen het optreden van overheden en groepen, zowel op het nationale als op het internationale vlak. Dat het optreden van het Israëlisch leger in Gaza, waarbij duizenden doden vallen, waaronder veel burgerslachtoffers, protest opwekt, is niet meer dan normaal. Het gebruik dat burgers maken van hun rechten moet echter steeds verenigbaar zijn met de rechten van andere burgers, zoals voorzitter De Waele trouwens zelf toegeeft. In een goed georganiseerde rechtsorde zouden alle rechten tegelijkertijd moeten kunnen uitgeoefend worden zonder dat deze uitoefeningen met elkaar in botsing komen. De uitoefening van alle rechten, voorzien in de rechtsorde, zou steeds, zoals in het Engels gezegd ‘compossible’ moeten zijn. Het is dus niet de taak van de rechter om een selectie te maken in de door de rechtsorde voorziene rechten die hij of zij voor afdwinging vatbaar acht.  Het is de fundamentele taak van de rechter in een rechtsstaat primo vast te stellen of een recht al dan niet geschonden is en indien dit het geval is te bepalen welk sanctionerend gevolg daaraan moet gegeven worden. Dat geldt evenzeer voor de zogenaamde grondrechten. Grondrechten verschillen van gewone louter wettelijk beschermde rechten door het feit dat zij in de grondwet verankerd zijn en niet zomaar bij gewone meerderheid kunnen gewijzigd worden. Als men dus, ook bij de uitoefening van grondrechten, daden stelt, die moeten gekwalificeerd worden als de schending van andere rechten in de rechtsorde voorzien, dan is het de taak van de rechter deze schendingen vast te stellen en te sanctioneren. Om dit met een klaar en visualiseerbaar voorbeeld te illustreren: het recht om te betogen is een grondrecht. Maar als betogers bij de uitoefening van hun betogingsrecht ‘bij wijze van protest’ winkels kort en klein slaan, politieagenten verwonden en tegenbetogers in elkaar slaan, dan moeten die daden gesanctioneerd worden want zij krenken de rechten van anderen. Dat dit in het verlengde gebeurt van de uitoefening van een grondrecht, verandert daar niets aan.

Welk recht werd geschonden?

De vraag stelt zich bijgevolg of de vermelde protestacties een of ander recht schenden. Als dit het geval is dan betekent de weigering van de rechter om de ontruiming te bevelen een regelrecht tekortschieten aan de fundamentele opdracht van de rechter om voorziene rechten in onze rechtsorde te beschermen en desnoods te beteugelen met sancties. Als dit systematisch wordt in onze rechtspraak dan kan dit leiden naar een verhoogd teruggrijpen naar wat men ‘eigenrichting’ noemt, namelijk dat burgers op eigen initiatief dwang en geweld gebruiken om hun rechten te beschermen.

Het UFO-gebouw is het meest recente pronkstuk uit het patrimonium van de Universiteit Gent. De universiteit Gent is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid en als dusdanig eigenaar van dit UFO-gebouw. Binnen deze publieke rechtspersoon zijn, volgens allerlei decreten, statuten en reglementen bepaalde instanties bevoegd maar ook verantwoordelijk om beslissingen te nemen omtrent het gebruik van deze gebouwen. Deze beslissingen kunnen uiteraard niet, zoals bij een private eigenaar, puur genomen worden volgens het eigenbelang van de beslisser. De beslissingen moeten kunnen gekaderd worden in de publieke opdracht van de universiteit. Om dit te garanderen is er toezicht op de beslissingen, vooreerst vanwege interne organen zoals het bestuurscollege en de raad van bestuur, maar ook vanwege de Vlaamse overheid via het mogelijk optreden van de regeringscommissaris. In deze kwestie heeft de rector, steeds onder toezicht van allerlei instanties, de bevoegdheid om de orde in de universitaire gebouwen te handhaven. Over deze bevoegdheid moet hij beschikken om de academische activiteiten in de gebouwen fatsoenlijk te laten verlopen maar ook om het risico op beschadiging van het patrimonium te vermijden. Het beslissingsrecht over het gebruik van de universitaire gebouwen is dus, anders dan bij private eigendom, gebonden aan allerlei publiekrechtelijke regelen, maar het is dus wel degelijk een voorziene bevoegdheid in onze rechtsorde en kadert organisch in de noodzaak om ook voor de publieke eigendom een verantwoordelijk beheer te organiseren. Als men nu toelaat dat individuen, studenten en niet-studenten, met hun acties regelrecht mogen ingaan tegen rechtmatige beslissingen van de beheerders van het publieke patrimonium, dan doorkruist men de mogelijkheid tot fatsoenlijk beheer. Vandaag komen pro-Palestijnse militanten de gebouwen bezetten, morgen zijn het misschien pro-Koerdische militanten, overmorgen misschien pro-Joodse militanten enzovoort. Welk criterium zal de rechter gebruiken om te bepalen welke militanten een absoluut recht op protest hebben en welke niet? Bovendien draagt de rechter, door wiens laksheid door de protesterende militanten hinder en schade wordt veroorzaakt, geen enkele verantwoordelijkheid. De rechter beslist, maar de universitaire instanties draaien op voor hinder en schade. De weigering van voorzitter De Waele om de ontruiming te bevelen komt dus neer om een regelrecht falen bij de opdracht van de rechterlijke macht en zou in hoger beroep zeker moeten rechtgezet worden.

Universiteit als vrijplaats

De legitimiteit van de beslissingen van de universitaire autoriteiten in dit geval en de plicht vanwege de gerechtelijke instanties die beslissingen desnoods ook af te dwingen, houden niet in dat protesten in universitaire gebouwen steeds meteen onderdrukt moeten worden. Alhoewel publiek protest eerder thuishoort op straten en pleinen zijn, zoals de voorzitter in zijn beslissing ook zegt, universiteiten historisch gezien vrijplaatsen voor debat en protest. Het ligt dus in de lijn van de universitaire missie om zich sterk gedogend op te stellen tegenover protestacties. Als verzamelplaats van heel wat kritisch intellect en jeugdig idealistisch militantisme, is het maar normaal dat bepaalde ontevredenheid over nationale en internationale politiek daar zijn eerste en vurigste uitlaatklep vindt. Veel democratische omwentelingen in autocratische regimes vonden trouwens hun oorsprong in universitaire acties. Het bepleiten van een gedogende instelling ten opzichte van protestactie betekent echter niet dat de beslissingsmacht om eventueel een einde te stellen aan protestacties aan de universitaire instanties mag ontnomen worden of moet worden ondermijnd door rechterlijke beslissingen zoals de hier bekritiseerde. Het is aan de publiek bevoegde en verantwoordelijke instanties om te oordelen in hoeverre de acties moeten worden gedoogd en wanneer zij, gelet op de omstandigheden, zoals hinder en beschadiging, moeten worden stilgelegd. Deze instanties, en niet de rechter, dragen immers verantwoordelijkheid voor het universitaire patrimonium.

Academische vrijheid

Academische vrijheid houdt in dat aan de universiteit een diversiteit van meningen moet kunnen bloeien wat moet leiden tot boeiende maatschappelijke debatten. Deze debatten zijn enerzijds, anders dan debatten onder politieke partijen, wel vrijblijvend maar zijn anderzijds intellectueel wel eerlijker aangezien zij minder bezwaard zijn met strategische bekommernissen omtrent politieke macht en belangenbescherming. Zeer dikwijls behoeft diversiteit van meningen een bescherming van bovenaf. Bij gebreke hieraan ontstaat het gevaar dat de meest brutale en intimiderende fracties andere opinies onderdrukken en er een mono-ideologische klimaat aan de universiteit ontstaat. Hypatia ontving reeds vele malen signalen van collega’s die het wel met ons pleidooi voor ideologische diversiteit aan de universiteit eens waren maar dit niet durfden te uiten omdat dit ‘professionele zelfmoord’ zou betekenen. Als men dus, zoals de voorzitter van de rechtbank voorhoudt, luchtledige protestacties zomaar moet laten betijen, zonder dat de academische autoriteiten hierbij ordenend mogen optreden, dan riskeert men een vrijbrief te geven aan de meest extreme, de meest intimiderende, de meest brutale fracties aan en buiten de universiteit om het ‘Forum’ te domineren en elke dissidente mening te onderdrukken. Men kan zich afvragen wat het gevolg zou zijn mochten anti-Hamasstudenten een tentje willen neerzetten in het UFO-gebouw. Het feit dat Joodse studenten aan vele Amerikaanse universiteiten niet meer veilig zijn en derhalve wegblijven uit de lessen, laat het antwoord op die vraag vermoeden. Onrechtstreeks heeft voorzitter De Waele met zijn weigeringsbeslissing een slechte dienst bewezen aan de academische vrijheid en verdient hij een grote buis op het examen van de rechtsstatelijkheid.