De burger in opstand

do 28 mei 2026 - 00:15

Boekbespreking van "De burger in opstand en De Toekomst van de politiek & de liberale democratie" door Guy Verhofstadt, vertaald door Wilfried Simons vanuit "The Citizen in Revolt", 430 pagina’s, uitgegeven bij Arbeiderspers Amsterdam/Antwerpen.

(Artikel door Boudewijn Bouckaert, erevoorzitter van denktank Libera! en laureaat van de Prijs voor de Vrijheid 2022, zoals oorspronkelijk gepubliceerd op Doorbraak.be op 27 mei 2026.)

Een boek bespreken van een ex-politicus houdt een risico in. Je leest het boek doorheen het spectrum van een persoon die jarenlang uw politieke aandacht mee heeft gekleurd. Je moet echt je best doen om het oordeel over deze knoert van Guy Verhofstadt niet te laten afhangen van het beeld, achtereenvolgens van de visionaire nieuwlichter van de Burgermanifesten in de tachtiger en negentiger jaren van vorige eeuw, van de Houdini-achtige premier die voortdurend schijnoplossingen toverde uit zijn trukendoos en van de molen wiekende Europarlementariër, die in steenkolenengels zijn Euro federalistisch credo orakelde. We proberen dit boek wat los te wrikken van het woelige curriculum van de auteur en het te beoordelen op zijn eigen merites. Want eigen merites heeft het boek alleszins. Het boek is immers een welgevuld ideologisch receptenboek voor het huidige tijdsgewricht in de wereld. In deze a-ideologische tijden is dit een verademing. Wereldpolitiek nu wordt immers gedomineerd door een streven naar ‘der Griff nach der Weltmacht’ zoals Fritz Fisher destijds de Duitse politiek voor wereldoorlog één beschreef. Na de met ideologie doorspekte periode van de Koude Oorlog (1946-1989) en de ideologisch-liberaal dominante periode van de globaliseringstijd (1989-2022) is ideologische reflectie een raar fenomeen geworden. Alle aandacht gaat naar de ‘Griff nach der Weltmacht’ en weinig aandacht gaat nog naar de vraag hoe we de samenleving het best inrichten. 

De originele versie van het boek was in het Engels (The Citizen in Revolt) maar omdat ook Nederlandstaligen belangrijk zijn werd het boek vertaald en die vertaling is voortreffelijk. De vertaler heeft het boek uitgeschreven in zeer vlot en toegankelijk Nederlands. Wat wel ontbreekt zijn voetnoten en bibliografische referenties. Dit is een mankement. Dit zeg ik niet vanuit academische pedanterie. Referenties naar geraadpleegde werken en naar empirische gegevens verhogen het vertrouwen in het waarheidsgehalte van het boek. Ik ‘fact-checkte’ drie uitspraken in het boek die me nogal contra-intuïtief overkwamen en telkens viel de fact-check negatief uit. Zo beweert hij dat de republikeinse presidentskandidaat Barry Goldwater een ‘segregationist’ was (p.144). Dat klopt niet. Goldwater was gedurende zijn hele loopbaan een tegenstander van de segregatie in het Zuiden, alleen heeft hij in het Congres tegen een paar artikelen van de Civil Rights ‘Act gestemd. Zo beweert hij dat London als financieel centrum door de Brexit in verval is geraakt (p. 202). Ook dat blijkt volgens de Global Financial Centers Index van maart 2025 niet te kloppen. Londen prijkt nog steeds knap tweede op de wereldranglijst na New York. Zo beweert hij dat de levensverwachting in de Verenigde Staten voor het eerst in de geschiedenis daalt (p. 247). Ook dat klopt niet. Die ging inderdaad achteruit na de covid-crisis maar zit nu weer in stijgende lijn en zit nu, volgens het Centre for Disease Control and Prevention op 79 jaar voor mannen, het hoogste in de geschiedenis. Indien de auteur zichzelf de discipline had opgelegd alle verwijzingen naar empirische gegevens via voetnoten te checken, dan zouden deze fouten niet gemaakt zijn.

Het eerste deel van het boek (De Politiek en Ik), het kortste (80 p.), is autobiografisch. Het is licht apologetisch zonder in pathetische eigen lof te vervallen. Vrij goed beschrijft de auteur de veranderingen in het politieke klimaat, die volgens hem vooral gekenmerkt worden door een verschuiving van het visionaire naar het plat pragmatische. Daar wil hij met dit boek verandering in brengen.

Het tweede deel van het boek is eerder beschrijvend en analytisch van aard. Het is ook sterk uitgesponnen en had gerust wat korter mogen zijn (209 p.). Hij bespreekt achtereenvolgens de internationale politieke met de opkomst van autocratieën, de terugval van de democratieën in de wereld, de achteruitgang van de centrumpartijen en de opgang van populistische extreme partijen, het wegdeemsteren van het ideologisch debat en de vervanging ervan door een management benadering, het gebrek aan leiderschap, de polarisatie in de democratieën, de tech revolutie die ons in een mix van 1984 en Brave New World heeft gebracht, de crisis van het kapitalisme waarbij onder meer door het techno-oligopolie in de VS de ongelijkheid onrustwekkend is toegenomen, de heterogene samenleving waarin de diversiteit enorm is toegenomen en waarbij populisten bij de bevolking een irrationele vrees voor de moslims aanwakkeren. 

Grosso modo kunnen veel van deze analyses min of meer onderschreven worden. Soms komen de oude demonen van de drammerige politicus weer bovendrijven en vervalt de auteur in schrijnende veralgemening. Zo bijvoorbeeld is er zijn schurkenlijstje waarin het nationalisme nooit ontbreekt. Elke politicoloog die naam waardig weet dat nationalisme een uiterst rekbaar containerbegrip is waarin zeer uiteenlopende ideologische strekkingen kunnen ingepast worden. Er is bevrijdingsnationalisme, staatsnationalisme, civiel nationalisme, etnisch nationalisme, taalnationalisme, imperialistisch nationalisme, cultuurnationalisme, enz. Door steeds alles onder één noemer op zijn schurkenlijstje te plaatsen wekt de auteur het vermoeden dat hier een stukje revanche uit zijn politiek verleden komt bovendrijven.  

Ook het hoofdstuk over de heterogene samenleving doet de wenkbrauwen fronsen. In 1870 kwamen Fransgezinde parlementariërs uit de Elzas zich in Parijs verzetten tegen de overdacht van hun streek naar Duitsland met als argument dat zij de Franse waarden belangrijker achtten dan hun taal. Deze anekdote is volgens de auteur HET antwoord op degenen die zouden beweren dat heterogeniteit onverzoenbaar zou zijn met democratie. Blijkbaar is de auteur vergeten dat Elzas-Lotharingen na de Duitse nederlaag van 1918 onverbiddelijk werd verfranst en het Duitse dialect uit de publieke sfeer werd verbannen. Niet alleen bewijst deze anekdote niets, maar ook de stelling dat heterogeniteit zomaar verzoenbaar zou zijn met een goedwerkende democratie lijkt zeer kort door de bocht. De auteur verwijst naar de lage percentages van moslims in Europa en noemt daarom de vrees voor Islamisering irrationeel. Wat hij vergeet is dat fundamentalistische moslims, in coalitie met extreemlinks, steden politiek kunnen veroveren en daar een regime kunnen invoeren dat haaks staat op de waarden van verlichting en democratie. De situatie in Saint-Denis en Roubaix, waar het stadsbestuur de politie wil ontwapenen, is hier een zorgwekkend voorbeeld. Zo irrationeel is de vrees voor Islamisering dus niet. De auteur steekt hier de kop wel een beetje in het zand. 

In het derde deel ontwikkelt de auteur zijn eigen visie op de meest uiteenlopende problemen. Dit deel is veruit het interessantste want het bevat talrijke verfrissende ideeën. 

Het hoofdstuk over volkskapitalisme is zeker het meest innovatieve. De auteur houdt een vurig pleidooi voor een gecorrigeerde markteconomie waarin de kloof tussen arbeid en kapitaal wordt afgebouwd door steeds meer werknemers te laten participeren in bedrijfskapitaal. Dit is, primo, niet utopisch. Nu al participeren meer dan 150 000 werknemers in bedrijfskapitaal (zie De Tijd, 2 mei 2026). De trend is reeds aanwezig en kan dus versterkt worden. Secundo, wordt deze participatie broodnodig want door AI zal het aandeel arbeid in onze economie afnemen en zal het aandeel kapitaal (bv. met robots) drastisch toenemen. Als er steeds meer kapitaal komt moeten er dus steeds meer kapitalisten komen, wil men niet vervallen in een hopeloos oligopolisch systeem. Verder herhaalt de auteur het pleidooi voor een universeel basisinkomen dat het sociaal-zekerheidslabyrint moet vervangen. Hij bepleit geen afschaffing van de erfbelasting maar stelt voor de opbrengst ervan niet naar de staat te laten afvloeien maar er een universeel startkapitaal mee te financieren om jonge mensen een start up te geven als ondernemer. Voor het tech-oligopolie stelt hij een opsplitsing voor van de tech-reuzen en een vrijgeven van de door diezelfde tech-reuzen ongebruikte patenten. 

Voor de werking van ons politiek systeem bepleit hij een binaire democratie waarin naast representatieve democratie ook de rechtstreekse democratie via referenda een grote rol zou spelen. Voorts bepleit hij een verdere uitbreiding van het petitierecht, de afschaffing van de publieke financiering van politieke partijen, de aanstelling van hogere rechters bij loting. Voor het internet is hij geen voorstander van zelfregulering noch van staatsregulering, maar voor controle door speciale internetrechtbanken. 

Terwijl in het tweede beschrijvende deel eerder de stem van de links-liberale oud-politicus Guy Verhofstadt doorklinkt, die wil afrekenen met de krachten die hem destijds dwars zaten, horen we in het derde deel opnieuw de creatieve nieuwlichter uit de jaren tachtig. Veel van zijn voorstellen zijn misschien niet politiek realistisch in de zin dat er nu geen politieke krachten klaar staan om deze door te voeren, maar echt utopisch zijn ze allerminst. Op een of andere manier moeten zijn ideeën hun weg vinden in het democratisch debat. Het huidig politiek debat in ons land is, ten gevolge van onverantwoord beleid uit het verleden, versmald tot een saneringsoperatie van de uit zijn voegen gebarsten socialistische welvaarstaat. Deze sanering is broodnodig en de liberale partijpolitiek heeft hierop jammerlijk gefaald. Voorbij deze sanering moet echter een perspectief gecreëerd worden van politieke en sociaaleconomische vernieuwing. Het boek van Guy Verhofstadt biedt hiervoor een aantal verdienstelijke aanzetten.