Het vraagstuk-Berlijn

do 30 jul 2026 - 10:10

Polarisatie, 100 jaar later.

(Artikel door Libera!-bestuurder Lawrence Urbain.)

Sinds een zevental jaren strijk ik meermaals per jaar, op onregelmatige tijdstippen, neer in Berlijn. Om de zoveel maanden borrelt bij mij het verlangen op, Sehnsucht zowaar, om naar de Duitse hoofdstad af te zakken. Deels uit vlucht, omdat ik Vlaanderen bij momenten als erg benepen en verzuurd ervaar. Toch verklaart het ontsnappen uit België – de push-factor – niet zozeer de aantrekkingskracht van Berlijn. Wat betreft Berlijn speelt in mijn persoonlijk leven toch vooral het trekkende element van de vrijheid van de grootstad. Nergens ter wereld ervaar ik deze vrijheid sterker dan in de Duitse hoofdstad. Kennelijk was het ook die vrijheid die een islamistisch terrorist kapot trachtte te maken toen hij op 25 juli 2026 feestvierders opzettelijk – en deels met dodelijke gevolgen – omver reed.

Denkend aan Berlijn en Duitsland

Doorheen de tijd ben ik mij als dilettant steeds intensiever gaan bezighouden met het vraagstuk-Berlijn. Deze kwestie is, naar ik meen, zowel psychologisch, sociologisch als politiek van aard. In het Oude Testament stelt de Prediker: Er is niks nieuws onder de zon. De haast geconditioneerde reflex naar Berlijn te trekken, kleeft niet enkel mij aan. Met name jongere homoseksuelen trokken een eeuw geleden al naar de Weimarrepubliek om zich te gooien in het nachtleven nabij de Kurfürstendamm. De verhalen van bij voorbeeld Christopher Isherwood bieden een interessant tijdsdocument. Vooral Klaus Mann, de talentvolle zoon van de danig overroepen en uiterst boosaardige kastnicht Thomas Mann (welke vader vertikt het naar de begrafenis van zijn eigen kind te gaan?) heeft mij diep geraakt.

Mann jr. gooide zich in het wilde Berlijnse nachtleven, zwierf rond in dezelfde straten en wijken als ik in het heden doe. Een eeuw later hangen bij de ruigere homobars nog steeds aan de deuren opschriften als: Nür Manner en Nür Cash. Kom er in woke Vlaanderen anno 2026 maar eens om. Geheid heeft men dan twee klachten aan zijn of haar been: Een voor het weigeren van vrouwen en wat thans van genders dies meer zij, een andere voor het niet toestaan van elektronische betalingen.  De wijk Schöneberg (nog) amper tot geen camera’s die voortdurend burgers bespieden, op dat vlak herleeft de DDR veel meer in Vlaamse grote steden – in Antwerpen alleen al hangen er duizenden elektronische ogen waarbij het slechts kwestie van tijd is vooraleer Mariabeelden uit nissen gehaald worden om er in de plaats camera’s te installeren. 

Waarom voel ik mij, en met mij zovelen anderen, nergens vrijer dan in Berlijn? Het antwoord hangt samen met de vraag: Waarom lijkt (of leek) tolerantie uitgerekend hier zo hoog? De meest voor de hand liggende verklaring die ik vond is simpelweg de doorwerking van het trauma. Deze stad heeft teveel verwondingen opgelopen, gaande van het nazisme onder Hitler tot de communistische controlestaat die de DDR werd. Naar mijn aanvoelen leven velen in Berlin daarom volgens het adagium: leven en laten leven.

Humanisme bij Klaus Mann en conservatieve revolutie bij Ernst Jünger

Graag wil ik stilstaan bij twee markante figuren uit de Duitse Weimargeschiedenis. De jonge humanistische schrijver Klaus Mann enerzijds en Ernst Jünger, adept van de Conservatieve Revolutie, anderzijds. De (dag)boeken van Thomas Manns zoon geven een fantastische inkijk in het wilde Berlijnse (nacht)leven tijdens het Interbellum. Tussen het gefeest door, wanneer de roes was weggeëbd, hield Klaus een heldere kijk op de politiek-sociologische omgeving om hem heen. Veel sneller dan menigeen zag hij hoe extreemrechts, met zijn focus op een puur raciale agenda, aan populariteit won. Terwijl Stefan Zweig nog “de radicaliteit van de jeugd tijdens de verkiezingen” bezong en vader Thomas zich, vanuit Beieren, enkel scheen druk te maken om zijn eigen ego en positie binnen de Weimarrepubliek, zag Klaus al heel helder in welk een gevaar uit zou gaan van Hitlers nazistische beweging. Hij koos snel voor een leven in ballingschap. De briefwisseling uit 1933 tussen Klaus en de schrijver-arts Gottfried Benn wordt, zeker vanuit de kant van Mann, gekenmerkt door een hoge mate van emotie. De tovenaarszoon kon maar niet begrijpen waarom Benn – ook sinds de machtsovername door de nazi’s – zich bleef vastklampen aan een zitje in de Akademie, ondanks dat Benn zelf ook wel inzag dat “we hier inderdaad geconfronteerd worden met de totale desintegratie van ons tijdperk.” In zijn autobiografisch werk zou de cultuuraristocraat Benn later onomwonden stellen dat “deze jongeman van zevenentwintig jaar de situatie volkomen juist beoordeeld had. Hij had de ontwikkeling ervan precies voorzien en had een heel wat helderder blik dan ik gehad.”

Waar Klaus Mann Benn haast smeekte om mee(r) in het verzet te komen, en hoopte dat de syfilis-behandelde SOA-arts Benn nog tot inkeer zou komen, was zijn oordeel over Ernst Jünger veel feller: Jünger kwam niet verder dan “hysterisch gebral”, aldus Mann. Als aanhanger van de Conservatieve Revolutie propageerde Jünger een elitaire grondhouding aangevuld met de idee van een revolutionair nationalisme. Jüngers opvatting liep in deze bijna volledig gelijk met het imperialistische militarisme van bij voorbeeld Oswald Spengler.

Ondanks dat er intellectueel en ideologisch een onoverbrugbare kloof bestond tussen het kosmopolitisch humanisme en paneuropees denken van de homoseksueel Klaus Mann aan de ene kant en het conservatief-nationalisme van de heteroseksuele Jünger, is de psychologische overeenkomst tussen beider figuren opmerkelijk: Beiden voelden zich ontheemd in het toenmalige Duitsland. Jünger ervoer de uiteindelijke problematische verhouding van het (heroïsche) individu ten opzichte van de staat (wat ook verklaart waarom Jünger afstand zou blijven bewaren tot het nazistisch bestuur van Hitler; vergelijkbaar met de houding van d’Annunzio ten opzichte van het fascisme van Mussolini) terwijl Klaus Mann worstelde met de eenzaamheid van het individu in de staat. Zowel Jünger als Mann hebben danig zich het hoofd gebroken over de wijze waarop het individu op hoort te gaan in de staat en hoe dit individu zich ten opzichte van de staat dient te verhouden: “Das Verhältnis von Tat und Geist, Kontemplation und Aktion ändert sich im Laufe der Zeit bei Klaus Mann wie bei Ernst Jünger”. Waar de militarist Jünger inzag dat het nazisme geen verzinnebeelding of uitwerking is van wat de Conservatieve Revolutie beoogde, radicaliseerde Mann in exil van humanist naar een socialist die gaandeweg fel aan ging schuren tegen het communisme.

De politiek-sociologische vraag van onze tijd

Dit brengt ons bij de vraag die mij in onze tijd danig bezighoudt: Welke plek verdient het humanisme en conservatisme binnen een steeds verder polariserende samenleving? Is er een ongeschreven wet die stelt dat beide politiek-sociologische bewegingen altoos uitmonden in een geradicaliseerde, antidemocratische en vulgaire ideologie? Ondanks dat Jünger niet ten prooi viel aan het nazisme, is het wel een gegeven dat een aanzienlijk deel van de burgerlijke conservatief-liberalen c.q. nationaalliberalen (Deutsche Volkspartei) en conservatieve nationalisten (Deutschnationale Volkspartei) tussen 1929-1933 uiteindelijk de overstap zouden maken naar het doorgeschoten radicalisme van de NSDAP. In hoeverre hebben de Paul von Hindenburgs en Ernst Jüngers de massa rijp gemaakt voor de sprong richting het vulgaire antidemocratische denken? Had het burgerlijke conservatieve en liberale gedachtegoed overeind gebleven wanneer iemand als de liberale leider Gustav Stresemann was blijven leven? En waarom was Klaus Mann niet in staat om vast te houden aan een kosmopolitisch humanisme in plaats van ten prooi te vallen aan doorgeschoten, vunzig communisme? 

Zo’n honderd jaar later stelt zich opnieuw de kwestie in West-Europa, een vraagstuk dat door mijn hoofd spookt wanneer ik recent door Berlijn slenterde en afgelopen weekend wanneer de islamistische aanslag plaatsvond: Zijn het centrumlinkse humanistische denken enerzijds en het conservatief-liberale en burgerlijk nationalisme op rechts anderzijds in staat om antidemocratische centrifugale krachten te weerstaan? In hoeverre baant in een periode van chrono-crises het linkse humanisme de weg voor uiteindelijke totale socialistische verstaatsing en psychiatrisch aandoend woke-denken? En zijn de conservatief-liberale, conservatief nationale en evenzeer rechts-libertarische krachten de wegbereiders, de nuttige idioten, van een ondemocratisch Volkisch-raciaal nationalisme? 

Toegegeven: Veel vragen en ik heb nog lang niet de antwoorden. Een mogelijke oplossing ligt verscholen in het volgende: dat gematigd linkse humanisten en burgerlijk rechts op een meer faire manier met elkander het maatschappelijke debat aangaan en beider kampen inzien dat de vijand elders zit. Indien de voorname politieke socioloog Alexis de Tocqueville vandaag weer tot leven kwam, zou hij met zijn denkbeelden allicht worden ingedeeld in het kamp van radicaal-rechts. Al verschillende decennia worden conservatieve liberalen (en evenzeer rechtse libertairen) weggezet als extremisten, wanneer ze wijzen op de schaduwzijde van de multiculturele samenleving, met name dan de radicale islam, en wanneer zij kritiek leveren op een jarenlang quasi-open grenzenbeleid. Hetzelfde gebeurt in debatten over de onhoudbaarheid van de sociale welvaartstaat. Wie rationeel en onderbouwd wijst op de onbetaalbaarheid van de huidige sociale arrangementen, die is in de ogen van politiek-correct links gelijk ‘hardvochtig’ en ‘egoïstisch’. Aan de andere kant dient burgerlijk rechts in te zien dat geradicaliseerd woke-links niet geheel samenvalt met wat ik dan maar noem ouderwets, humanistisch centrumlinks. Ook aan de linkse kant zien reeds jaren tal van voorname denkers – gaande van André Comte-Sponville in Frankrijk, Paul Scheffer in Nederland tot Peter Sloterdijk in Duitsland - in dat het hysterische, relativistische en politiekcorrecte denken op links de humanistische zaak weinig positiefs heeft opgeleverd. 

Deze twee voornoemde intellectuele kampen op links en rechts moeten het niet eens worden met elkaar, wel dienen ze in te zien dat de geradicaliseerde vijand elders, namelijk op de ondemocratische flanken zit. Zij zelf moeten niet radicaliseren, enkel dienen zij hun intellectuele koopwaar beter voor het voetlicht te brengen binnen het maatschappelijke debat.

 

Benn, G. (1977), Dubbelleven, Privé Domein, 252 p.
De Tocqueville, A. (2014), Over de democratie in Amerika, Lemniscaat, 1165 p. 
Kerker, A. (1974), Ernst Jünger – Klaus Mann: Gemeinsamkeit und Gegensatz in Literatur und Politik, Bouvier Verlag Herbert Grundmann, 136 p.
Mann, K. (1963), Der Wendepunkt: Ein Lebensbericht, Fischer Bücherei, 462 p.