Gustave de Molinari-lezing Prijs voor de Vrijheid 2026
Acceptatiespeech van Ivan Van de Cloot, hoofdeconoom van Stichting Merito.
(Lezing door laureaat Ivan Van de Cloot, hoofdeconoom van Stichting Merito, zoals uitgesproken op de uitreiking van de Prijs voor de Vrijheid 2026 op zaterdagavond 20 juni 2026 in de Auberge du Pêcheur in Sint-Martens-Latem.)
Dames en Heren,
Ik wil de leden van het bestuur van Libera! danken voor de toekenning van de Prijs voor de Vrijheid.
Vandaag spreek ik u als hoofd van Stichting Merito en ik dank ook graag de stichtende leden van Merito die hier vandaag aanwezig zijn. De rode draad in deze lezing is de rol van verantwoording en rekenschap. Die is essentieel voor een gezonde economie. Maar evident ook voor de bredere maatschappij en spelers als politici, media en experten.
De laatste 25 jaar
Hoe vrij zijn we anno 2026, in dit land met een overheidsbeslag van 54 % en een overheidsschuld van 110 % van het bruto binnenlands product? Sorry om met die cijfers af te komen. Ze zijn een illustratie van een land waar vele burgers voor de oplossing van elk probleem naar de overheid kijkt. De overheid kan nooit dergelijke onrealistische verwachtingen realiseren.
Wie de economische perspectieven van het Federaal Planbureau van rond het jaar 2000 erop naslaat, zal zien dat die instelling een periode van economische groei van 3% aankondigde. Tegelijk ging men ervan uit dat de overheidsschuld zou wegsmelten als sneeuw voor de zon. Het was ook de tijd dat een onding met de naam “Het Zilverfonds” werd opgericht. Minstens eenmaal keer per jaar beweerde de minister van begroting, een zekere Johan van de Lanotte, dat de begroting in evenwicht was, de staatsschuld werd afgebouwd en het zilverfonds werd gevuld. Dat was volgens een enkele criticus echter eerder een zinsbegoocheling. Gebaseerd op de verkoop van overheidsgebouwen die vervolgens terug gehuurd werden en het leegmaken van pensioenfondsen. Een vermetele probeerde het zelfs pedagogisch uit te leggen met de woorden: “Ik schrijf op een papiertje dat ik mezelf 1 miljard euro schuldig ben, steek dat in mijn broekzak en roep dan “ ik ben miljardair”.
Het was ook een opmerkelijke periode inzake de vrijheid van meningsuiting in dit land. Critici kregen telefoons met niet zo mooie “ministeriële boodschappen” als “dat je dringend moet stoppen of er zou wel eens wat met je kunnen gebeuren”. Het was ook een periode dat sommigen wel eens het ontslag eisten van kritische stemmen bij de werkgever. Dus ja, de vrijheid van meningsuiting in België: iemand zou er eens een minder theoretisch boekje over moeten schrijven.
Niet lang daarna kwam de periode van de bankencrisis met Dexia, Arco en de Gemeentelijke Holding. Ook toen vielen wel wat opmerkelijke dingen te leren inzake de vrijheid van meningsuiting. Academische analyses maken die niet te veel mensen bereiken, kan probleemloos. Maar betogen die grotere groepen bereiken, dat is wel anders.
Overton window
Jongeren leren beter snel dat er zoiets is als het zogenaamde “overton window” of nog “de bandbreedte van het maatschappelijk debat”. Veel traditionele media zien zichzelf als de poortwachters van de maatschappelijke discussie en dat is niet zonder gevolgen. Er zijn thema’s, invalshoeken en perspectieven die niet vaak aan bod komen. Een extreme uiting daarvan is de cancelcultuur. Met Merito dragen we bij aan een verbreding van de bandbreedte van het maatschappelijk debat. Zo organiseerden we een echt tegensprekelijk debat over klimaatbeleid. We kunnen ons terzake geen illusies veroorloven. Zoals de bewering dat klimaatingrepen zichzelf zomaar terugverdienen. Wat elke dag gelogenstraft wordt.
Over de werking van de media en het debat hielden we vorig jaar een event. Daar kwam aan bod dat factchecking, zeker op sociale media, makkelijk kan omslaan in censuur. Desinformatie is vaak eerder een symptoom van wantrouwen dan de oorzaak ervan. Maak werk van transparante communicatie en betrouwbare instellingen. Vermijd dat factchecking de indruk wekt van onfeilbaarheid. Maak ruimte voor twijfel en correctie als fundament voor geloofwaardigheid.
Er zijn dus nogal wat taboes waar we in dit land moeilijk mee om kunnen gaan. Dat merkte ik snel toen ik in 2004 analyseerde hoe migratie in een land met ons systeem van uitkeringen en arbeidsmarktregulering voor grote groepen aantrekkelijk is. Maar wel grote kosten kan opleveren voor ons als ontvangend land. Voor een jongerenafdeling van een politieke partij vatte ik het samen dat migratie voor liberalen soms mooi lijkt maar voor het land minder als het gecombineerd wordt met veto’s van de Parti Socialiste en diens Vlaamse tegenhangers om de welvaartstaat te hervormen.
Luchtfietsen
Dat er in de politiek zoveel ruimte is voor lichtzinnigheid, komt grotendeels omdat voor velen de realiteit er minder toe doet. Er is nogal een verschil tussen mensen die met de voeten in de realiteit staan en mensen die daar heel weinig mee geconfronteerd worden. De econoom Thomas Sowell spreekt daarbij over “the anointed”. Je ontdekt van die laatsten nogal wat in de politiek, de media en de academie. In de politiek zijn er dus wel wat die niet wakker liggen van wat de gevolgen zijn in de realiteit van de door hun geproduceerde stroom aan wetten en teksten. Aan de grondslag van veel verschillen in opvattingen ligt een verschil in perspectief op de menselijke natuur. Dat zagen we ook in de coronaperiode. Als aan de knoppen van de macht en de publieke geldstromen mensen zitten die denken dat de burgers aangestuurd moeten en kunnen worden als willoze schaakstukken dan krijg je ook de excessen die we toen gekregen hebben.
In de economie zijn twee zaken van groot belang om te begrijpen waarom er niet altijd evenveel realiteitszin aanwezig is. Het eerste betreft hybris of overmoed die in plekken waar gewerkt wordt met collectieve middelen gevaarlijker is dan elders. Denk aan mijn verwijzing naar de Paarse begrotingen van rond het jaar 2000. Dat zagen we niet alleen in zaken als het beheer van ons pensioenstelsel maar ook het beheer van stuwdammen in Wallonië. Inzake de financiële markten ben ik al decennia van oordeel dat door de centrale banken zoals de Fed en de ECB de kapitaalontwikkeling meer en meer een bijproduct werd van een wereldwijd casino. Waarbij kredietrisico’s regelmatig vooral terechtkomen bij mensen die de risico's niet begrijpen. De veronderstellingen die vandaag ingebakken zitten in veel financiële waarderingen, zijn gedoemd van tijd tot tijd volledig de mist in te gaan, omdat mensen op elkaar reageren zoals in Poincarés geliefde satire van de dichter Rabelais, waar de schapen collectief overboord springen omdat de leidende ram hun dat voordeed. Opnieuw verliezen vandaag velen uit het oog dat financiële risico’s niet verdwijnen door ze louter te verschuiven.
We moeten vaststellen dat veel jonge economen niet meer de basiskennis hebben over hoe de Duitse Bundesbank destijds zolang excessen vermeed. Laat staan dat ze vertrouwd zijn met de strijd die hierover al woedde tussen figuren als Thomas Jefferson en Alexander Hamilton.
Dat is toch een tendens die ik observeer. Dat velen standpunten innemen op basis van indrukken, slogans vaak, en niet appreciëren dat je pas tot betere inzichten kan komen als je de motorkap opengooit en een veel diepere duik neemt in de complexiteit van de realiteit.
In financiële crisissen is het doorgaans een illusie dat schuldhefbomen oneindig kunnen worden verlengd. Dat is de bancaire weg naar financiële instabiliteit. De andere eeuwenoude weg is knoeien met de monetaire instellingen. Recent zagen we de verleiding van lichtzinnige geldcreatie in de zogenaamde Moderne Monetary Theory. MMT’ers vertrekken graag van de stelling dat een overheid die in de eigen munt leent nooit failliet kan gaan. Dat is bijna een tautologie. Uiteraard kan men geld blijven drukken en de bevolking verplichten dat te gebruiken. Maar drijf dat te ver, en de munt wordt volledig uitgehold.
Vier rollenspelers
We zien een overdosis wetten, regeltjes, taksen en belastingen zodat ondernemers steeds moeilijker een innoverende rol van waardecreatie kunnen spelen. We zijn het noorden kwijt over de rolverdeling van de grote actoren in onze samenleving. De overheid moet rechtszekerheid creëren, een vertrouwenwekkend kader waarin, zoals de overheid, ook ondernemingen, middenveldactoren en burgers hun activiteit legaal en vrij kunnen ondernemen. De ene actor kan niet functioneren zonder de andere, elk met een eigen rol en verantwoordelijkheid.
Joseph Schumpeter maakte zich een eeuw geleden veel minder zorgen over een crisis dan over het hellend vlak waarin de sfeer van het overheidsingrijpen sluipend de hele maatschappij besmet. Hij zei dat zo de bevolking en vooral de elite vervreemdt van het ondernemerschap als vitale bron voor welvaartscreatie. Door voor alles in regelgeving en subsidies te voorzien worden andere sferen van de maatschappij in de overheidscontext getrokken. We kunnen dat alleen stoppen door een betere democratische cultuur die excellentie afdwingt voor de kerntaken van de overheid en diens kolonisatie van de maatschappij binnen de perken houdt. Voor elk probleem naar de overheid kijken en dan nog eens in de val trappen dat steeds meer geld de oplossing is, doet ons compleet vastlopen. De alomtegenwoordige overheid kost niet alleen handenvol geld. Het is ook meer dan corrosief voor de gemeenschap. Steeds meer mensen worden daarbij zelf in de overheidssfeer getrokken. Steeds minder mensen zijn bereid of in staat een kritische houding aan te nemen tegen de cultuur die daarbij ontstaat.
Het middenveld leunt in ons land te veel aan bij de staat. Naast een institutioneel middenveld dat van bovenaf functioneert moeten we ook een meer spontane civiele maatschappij koesteren. Een middenveld dat spontaan van beneden af verbanden legt als het ware. De pluraliteit van waarden vertaalde zich in veel periodes ook in meer variëteit in het medialandschap. Het kan in mijn ogen niet onderschat worden hoe ernstig de moderne mediaconcentratie wel is die aan die rijke variëteit knaagt.
Terecht kan gesteld worden dat Alexis de Tocqueville deze analyse voor een stuk nog een eeuw eerder maakte. De verzorgingsstaat heeft verwachtingen ontketend die nooit helemaal ingevuld kunnen worden. Niet alleen dreigt dat de andere actoren in de maatschappij - de ondernemingen, de civiele maatschappij en de zelfredzaamheid van burgers - te verpletteren, de overheid zal zich ook compleet vertillen. Rekenschap is het sleutelwoord. Rekenschap bij de overheid als die faalt in haar kerntaken en tegelijk haar rol te breed invult. Bij de bedrijven, die te gemakkelijk om steunmaatregelen vragen en zich subsidies laten welgevallen. Bij de civiele maatschappij en de burger, die bij het minste probleem naar de overheid kijken om het initiatief te nemen. Schumpeter redeneerde bijna steeds op de lange termijn terwijl Keynes berucht is voor zijn boutade dat we op de lange termijn allemaal dood zijn. Er valt wel wat voor te zeggen dat we dringend wat minder Keynes en wat meer Schumpeter kunnen gebruiken.
Er is een goede reden waarom de nadruk te leggen op vier rollenspelers in de maatschappij in plaats van die Europese focus op de overheid. Voor een harmonieuze samenleving heeft elke rollenspeler een voldoende autonome sfeer nodig. Het economisch perspectief domineert in het bedrijfsleven. In sociale organisaties of voetbalverenigingen zijn uiteraard andere waarden dominant, en dat leidt bijvoorbeeld ook tot verschillen in vergoedingsniveaus. Het is belangrijk dat elke sfeer zich voldoende autonoom kan ontwikkelen en er dus niet overal dezelfde logica heerst. De civiele maatschappij is net zo belangrijk omdat ze vele verenigingen en autonome sferen herbergt die niet allemaal opgeslorpt worden door de staat.
Kritisch denken
We zien opiniemakers zich uitspreken over landgenoten die dergelijke scepsis vertonen als “anti-overheidsdenkers” alsof ze automatisch als “wappie” of “staatsgevaarlijk” worden beschouwd. Het aantal politologen dat zich bij ons nog over de overheid durft uitspreken als een intrinsiek ‘gevaarlijk’ gegeven waartegen de burger ook bescherming behoeft, lijkt ondertussen op één hand te tellen. Hebben diegenen gelijk die stellen dat die houding in de Verenigde Staten wel diepe wortels kent maar bij ons hoogst oppervlakkig blijft? De staat lijkt voor velen echt een soort middelpunt van het universum geworden. Het gebruik van de term “anti-overheidsdenker” in bepaalde media voor mensen die eigenlijk de kritische zin opbrengen voor de grote machtsconcentratie bij de overheid is finaal wel grof. Dat zie je bijvoorbeeld ook bij de zogenaamde “digitale euro” of de plannen van de ECB rond de CBDC. De overheid mag dan wel ontkennen dat de digitale euro ‘programmeerbaar’ kan zijn, bij de voorstanders ervan is een heel ander geluid te horen. Ik las een tijd geleden een interview met een econoom die de programmeerbaarheid ervan net aanhaalde als reden om de digitale euro in te voeren. Hij wees onder meer op het nut voor het klimaat. “Als je bijvoorbeeld vaak het vliegtuig hebt genomen, dan kan men zeggen: ‘Ah, uw krediet is op. U hebt te veel gevlogen.’ Dat is het idee van een koolstofbudget. Samengevat komt het erop neer dat ‘wenselijke’ en ‘groene’ zaken met een digitale euro gemakkelijker aangekocht kunnen worden dan ‘onwenselijke’ zaken.
We willen met Stichting Merito inzetten op kritisch denken. Zo is er ons project rond economische geletterdheid. Een 18-jarige die een goed schoolparcours heeft doorlopen, kent op die leeftijd wel wat wiskunde, fysica of talen. Maar als je zou vragen hoe het mogelijk is dat hij of zij school en gezondheidszorg genoot… Dan krijg je antwoorden als “dat komt door de overheid”. Terwijl economische geletterdheid tenminste betekent dat je in twee fasen kan denken. Namelijk: en wat is er nodig opdat de overheid kan tussenkomen in gezondheidszorg? Moet er dan niet voldoende ruimte zijn voor ondernemerschap om welvaart te creëren?
Vandaag zou je verwachten dat elke politieke partij de burger uitlegt hoe ze omgaan met nieuwe technologieën en de impact op de vrijheid van de burger. Technologische mogelijkheden creëren een realiteit waarin overheden, die vroeger technisch beperkt waren in hun capaciteit om ons doen en laten permanent te volgen, vandaag over instrumenten beschikken die dat wél mogelijk maken. Daardoor ontstaat het risico dat we evolueren richting een controlesamenleving. Op dit moment lijkt de overheid nieuwe technologieën vaak te gebruiken om burgers te controleren, en veel minder om dure en verouderde processen te vereenvoudigen of te verbeteren. De weg van de minste weerstand lijkt steeds meer controle op de burger, niet het efficiënter maken van processen bij de overheid. Daardoor kan de burger het gevoel krijgen dat hij steeds meer in een controlestaat terechtkomt. Nog vóór de grote AI-hype verschenen er boeken en analyses over het gevaar van een surveillancestaat, over de impact van digitalisering op privacy en vrijheid. Het debat was toen veel zichtbaarder. Vandaag lijkt de fundamentele discussie over macht, controle en de verhouding tussen burger en staat — naar de achtergrond te verdwijnen. Terwijl die misschien relevanter is dan ooit.
Media en Experten
Voor de kritische blik moet er dan natuurlijk wel ruimte zijn voor echte tegenspraak in het debat. De sympathie van veel media gaat nogal een eenzijdige richting uit. Als je meerdere mensen uit een bepaald expertisedomein aan het woord laat, zal je merken dat ze het niet noodzakelijk altijd met elkaar eens zijn. Wat de kijker ervaart, is dat men nogal eens een bepaalde wenselijke visie lijkt op te dringen.
Stelt u zich ook soms de vraag hoe de coronaperiode aan bod komt in de opleidingen journalistiek? Zullen ze dan spreken over de strategie van sommige virologen om in een pandemie omnipresent te zijn in de media en daar nog in slaagden ook? VRT-journalist Luc Pauwels riep op een event van Stichting Merito op tot meer journalistieke zelfreflectie. Te vaak laten media zich meeslepen in snelheid en sensatie. Het onderscheid tussen traditionele en alternatieve media vervaagt. De deontologische fundamenten van de journalistiek worden daardoor des te belangrijker. Een vraag die opkomt is in welke mate segmenten van de bevolking zich meer als kind gedragen, als ze als kind worden aangesproken?
Decentralisatie in plaats van centralisatie
De digitale euro is een voorbeeld van een extreme drang naar controle en centralisatie. Terwijl een sleutel voor goed bestuur net decentralisering vormt. Veel begint op het lokale niveau. Zelf ben ik inwoner van Boortmeerbeek waar een aantal jaren, achter de rug van de burger, een fusie met de stad Mechelen werd voorbereid. Het was interessant om te zien hoe een heel grote groep burgers protesteerde tegen de fusieplannen met Mechelen. In mijn carrière heb ik vaak het gevoel gehad dat burgers veel lieten passeren, maar dat was een voorbeeld van een moment waarop de burgers echt wel wakker waren. En daar kunnen we lessen uit trekken. Dat we zaken dichter bij de burger moeten brengen. Als er beslissingen ver van de mensen weg, in Brussel, genomen worden, is er veel minder burgerparticipatie. Dat toont dat we moeten inzetten op meer decentralisatie.
De institutie die afgestemd is op decentrale processen is uiteraard de markt. Uiteraard zijn er nogal wat domeinen waar in dit land de marktdiscipline geweerd wordt. Waar de overheid de markt bewust weert, neemt ze de verantwoordelijkheid over voor collectieve middelen. Dat vereist dan wel dat ze die middelen efficiënt en effectief beheert. Recent werkte ik mee aan meer transparantie over de middelen van de ziekenfondsen. De reactie van de minister was tenenkrullend. Hij zei dat het ging om een politieke afrekening, een politieke verdachtmaking.
Transparantie over feiten, en dat noemt de minister een politieke verdachtmaking of een afrekening? Sorry, maar neemt men de burger eigenlijk nog ernstig? De politiek werkt wel met het geld van de burger. Kan men ten minste tonen dat als de politiek het privilege heeft om te beslissen over belastinggeld, dat dit privilege aan bepaalde voorwaarden verbonden is?
In heel wat domeinen groeit het besef dat we bepaalde zaken zullen moeten corrigeren. De middelen zijn niet oneindig. We zitten nu met een hoge staatsschuld en komen in de problemen, zeker bij een hogere rente. Toch slagen politici er tijdens discussies over besparingen zelden in om een fundamenteel onderscheid te maken tussen wat essentieel is en wat eerder ‘nice to have’ is. Nederland volgt al meer dan 25 jaar op hoe de overhead bij de ambtenaren of het geheel van functies gericht op de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het zogenaamde primaire proces evolueert. Zo’n zaken verankeren, levert ons dan ook veel structurele verbeteringen op dan de lijstjes van quickwins waartoe regeringen regelmatig oproepen doen.
Dat soort oefening is binnen elke organisatie een normaal proces. De bomen groeien niet tot in de hemel. Maar dan is het essentieel dat je de capaciteit hebt om hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden. En net daar wringt het schoentje. Ons politieke systeem heeft het moeilijk om dat onderscheid te maken en kerntaken te definiëren. In veel domeinen kan je vlot voor een vijfde van de bestede middelen concluderen dat ze besteed worden aan dingen waar je zonder zou kunnen.
Het gaat ook over regulering. De overheid toont vaak dat ze geen interne remmen kent inzake het uitwerken van altijd meer intrusieve regels die een breiwerk opleveren zonder consistentie. Een bekende casus vormt bijvoorbeeld het arsenaal veiligheidsmaatregelen om de kans op legionella te minimaliseren. Ofwel spits je die toe op de grootste risicogroep in verpleeg- en verzorgingsinstellingen. Ofwel laat je die los op alle instellingen. Dan eindig je met gemaakte kosten per gezond levensjaar van vlot een miljoen euro. De discussie over de irrationele nulrisicomaatschappij werd in ons land nog nauwelijks gevoerd. Een rationele bijsturing van beleid kan snel leiden tot het beter besteden van miljarden euro’s.
In plaats van emancipatie door de welvaartstaat zien we vaak enorme afhankelijkheid en tegelijk verbrokkeling van sociale verbanden. Maatschappelijke omstandigheden lijken het opnemen van individuele verantwoordelijkheid steeds vaker te bemoeilijken. Wat velen onderschatten is dus de mate dat dit ook samenhangt met een immense reguleringsdynamiek waaraan geen enkele sfeer van het menselijk leven nog lijkt te ontsnappen. Het paternalisme en de bijna onvermijdelijkheid dat de staat teleur zal stellen gegeven de onmogelijke verwachtingen brengt ons maatschappelijk meer en meer in problemen. Het minste wat er dient te gebeuren is een periodieke herijking waar de vraag gesteld wordt in welke mate een waarde als vrijheid niet vertrappeld dreigt te worden. Weinigen voelen zich blijkbaar nog geroepen om dit te onderzoeken. Veel hedendaagse filosofen zoeken eerder naar legitimatie voor steeds verdergaande vrijheidsbeperkende kaders.
Toekomst
Een van de kwalijkste elementen van ons maatschappelijk debat zijn wel intentieprocessen. Sommigen kunnen het niet voorstellen dat je vooral gedreven wordt door een elan om te willen bijdragen aan een gezonde democratie. Het waarmaken van een democratie is hard werk. Zeker wanneer mechanismen van aansprakelijkheid, verantwoording, rekenschap om het eufemistisch te zeggen niet goed functioneren. Een rode draad voor mij is doen inzien dat het gebruik van overheidsschuld in dit land sterk bijdraagt aan het tekortschieten van goed bestuur. Overheidsschuld is een mechanisme dat nogal wat burgers ertoe brengt om steeds meer overheidsuitgaven te verlangen of die althans niet te verwerpen. Dat die nieuwe uitgaven minder weerstand ondervinden indien ze gefinancierd worden door bijkomende overheidsschuld eerder dan door middel van belastingen, daar kunnen koningen en keizers sinds mensenheugenis over meespreken. Al bijna even oud is het inzicht dat het bijmunten van geld ook minder protest uitlokt. Het geldbeleid van de Europese Centrale Bank (ECB) weet slechts een kleine kring van insiders te beroeren. Velen zijn blind voor het feit dat de generaties die onze schulden erven vandaag electoraal nog niet bestaan.
Om te besluiten schuif ik graag enkele heel concrete ideeën naar voren. Mijn conclusie als begrotingseconoom is dat we een heel problematische begrotingscultuur hebben. Dit maakt dat ons land deugd zou hebben aan een begrotingsregel verankerd in de grondwet. In de academische ivoren toren wordt nog gedebatteerd over een zogenaamde 'ijzeren' regel (begrotingsevenwicht) niet te strak is. Mijn stelling is dat we die vraag maar moeten uitstellen tot we een probleem kennen van te lage overheidsschuld.
Ten tweede moeten we hogere eisen stellen aan onze politieke partijen. Ze moeten zich meer aansprakelijk voelen voor de kwaliteit van het maatschappelijk debat. In de kern is hun rol deels immers om te fungeren als een filter: mensen selecteren die klaar zijn voor grote verantwoordelijkheid.
Een gedetailleerde analyse van het Zwitserse maatschappijmodel bewaar ik voor een volgende keer. Wat ik wél alvast als zaadje wil planten, is het breed invoeren van townhall meetings voor beleidsverantwoordelijken van alle niveaus. Die helpen beleidsmakers om uit hun bubbels te stappen en de kloof te overbruggen tussen de ivoren toren en de dagelijkse realiteit. Daarnaast kunnen onze overheden veel responsiever worden door veel meer te werken met tevredenheidsonderzoeken van publieke diensten. Als uitsmijter wil ik benoemen dat openbaarheid van bestuur veel ernstiger moet genomen worden. Iedereen die beseft dat beter bestuur essentieel is om de burger meer te respecteren, zou dit op de agenda moeten zetten.
Als econoom kan ik in elk geval stellen dat veel onhoudbare stelsels op drijfzand zijn gebouwd. Het is onvermijdelijk dat die onhoudbaarheid de komende jaren zich zal manifesteren. Of het nu in de vorm van een begrotingscrisis is of een crisis van onze competitiviteit in een wereld waar Europa het moeilijker krijgt. In tijden van verkiezingen kan je het zo voorspellen dat de bewijzen van onbestuurbaarheid tot electorale schokken zullen leiden. De opvattingen van de oude Tocqueville rond autonomie, zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid zijn vandaag nog weinig bekend. Op één of andere wijze zullen ze echter herontdekt moeten worden.