Brusselse regelwoede
Conflicten over overregulering zetten de handelsrelaties van de EU onder druk.
(Artikel door Pieter Cleppe, ondervoorzitter van Libera! en hoofdredacteur van BrusselsReport.eu.)
Verleden week besliste de Europese Commissie om aan Google een boete van 890 miljoen euro euro op te leggen, ditmaal op basis van de nieuwe Europese “Digital Markets Act” (DMA). Het is een zoveelste Europese miljardenboete voor een Amerikaans tech-bedrijf. Opnieuw moet Google geld ophoesten op basis van de zeer bedenkelijke redenering dat het zijn eigen producten niet in zijn eigen winkel zou mogen promoten. Het Europese antitrustbeleid en antitrustpolitiek in het algemeen waren steeds notoir arbitrair en sinds jaar en dag een doorn in het oog van klassiek-liberalen. Een hele industrie van advocaten en economen leeft ervan. EU-boetes op basis van antitrust zijn na jaren rechtspraak echter heel wat voorspelbaarder dan DMA-boetes, die Politico, een Europese Commissiegetrouwe publicatie, omschrijft als “arbitrair tot op zekere hoogte, en niet gespeend van politieke overwegingen.”
Ditmaal komt hier nog een dimensie bij. Het zet de al niet te beste economische relatie tussen de EU en de V.S. weer onder druk. Dat dit gebeurt net nadat de EU het zogenaamde Turnberry-akkoord goedkeurde, is zonde. Dat werd verleden zomer tussen de Amerikaanse President Donald Trump en Europees Commissievoorzitter Ursula von der Leyen afgesloten, nadat Trump met zijn tarievenoorlog was gestart. Het voorziet een plafond van wat de V.S. mogen opleggen aan douanetarieven voor exports vanuit de EU.
Ook verleden week kwam meer duidelijkheid over hoe Trump de douanetarieven die hij had verlengd ondanks het feit dat ze door Amerikaanse rechters waren neergesabeld nog wat langer wilde verlengen. De Amerikaanse juridische rechtvaardiging hiervoor is nu het gebrek aan Europees kader voor het bestrijden van dwangarbeid. Een drogredenering, uiteraard, maar op zijn minst schond de verlenging niet de maximale douanetarieven die de V.S. mogen opleggen onder het Turnberry-akkoord. Ook komt dat Europees kader in voege eind 2027, wat uitzicht geeft op een verlaging.
Het Turnberry-akkoord komt nu echter op losse schroeven te staan, waarschuwde het Duitse Europarlementslid Bernd Lange, die voorzitter is van de Commissie handel in het Europees Parlement, want als reactie op de Europese miljardenboete voor Google dreigde Trump alweer met tegenmaatregelen, die het Turnberry-akkoord misschien wel zullen schenden. Met andere woorden: de EU start hier op volledig onnodige wijze opnieuw een ruzie met Trump, net nu de zaken hopelijk in een plooi konden vallen, een paar maanden voor de Amerikaanse midterm-verkiezingen.
Conflicten over regulering
Ook met andere handelspartners komt de EU geregeld in conflict dezer dagen. Eerder deze maand besloot het Europees Parlement om sojaolie niet aan te merken als een „hoogrisico“-grondstof voor indirecte verandering in landgebruik, in het kader van de Richtlijn hernieuwbare energie (RED). Het protectionistische element hier is dat sojaolie anders wordt behandeld dan niet-Europese importproducten, zoals palmolie, die nu de enige grondstof in de „hoogrisico“-categorie is. In reactie hierop uitte Belvinder Sron, Chief Executive Officer van de Maleisische palmolieraad, scherpe kritiek op het besluit: „Dit gaat over consistentie, niet over concurrentie tussen gewassen. Wanneer twee grondstoffen aan dezelfde regels worden getoetst, moeten ze op basis van hetzelfde bewijsmateriaal worden beoordeeld.”
Uit de feiten blijkt inderdaad dat Maleisië volgens Global Forest Watch in 2024 slechts 0,56% van zijn resterende oerbos verloor. Daarmee doet het land beter dan het verlies van 0,87% in Zweden. Lokale Maleisische industrienormen lijken tussen 2023 en 2024 een aanzienlijke afname van 13% te hebben opgeleverd. Toch wordt „ontbossing“ gebruikt als rechtvaardiging om het onderscheid te maken.
Het is bovendien maar de vraag of de beslissing van het EP in lijn is met de regels van de Wereldhandelsorganisatie, die in het verleden al vragen stelde bij de criteria van de EU om dergelijke producten strikter te behandelen.
Na een gelijkaardig geschil tussen de EU en Maleisië stelde een panel van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) hierover enkele jaren geleden namelijk een rapport op. Dat bevestigde wel het recht in het algemeen van de Europese Unie om milieudoelstellingen na te streven in het kader van de Richtlijn hernieuwbare energie. Het panel stelde echter vast dat de EU de criteria voor hoge en lage indirecte veranderingen in landgebruik niet in overeenstemming met de internationale handelsregels toepaste, als gevolg van verouderde gegevens en ontwerpfouten.
Het WTO-panel had daarbij in het bijzonder bezwaar tegen het feit dat de EU de gegevens niet tijdig had beoordeeld. Het oordeelde ook dat de EU de maatregel daardoor niet op onpartijdige wijze had toegepast. Bovendien oordeelde het dat bepaalde certificeringscriteria en -vereisten terzake „te vaag en dubbelzinnig, alsook onvolledig“ waren en dat een termijn van tien jaar voor het in aanmerking komen voor de EU-certificering palmolie benadeelde, aangezien dit gewas pas na enkele jaren vruchten draagt.
Het bracht het panel tot de conclusie dat de EU daarom „de limiet voor een hoog ILUC-risico en de uitfasering niet in overeenstemming met artikel 2, lid 1, van de TBT-overeenkomst [had] toegepast.
Spanningen met India en China
Voorts veroorzaakt de EU ook spanningen met handelspartners over het Europese klimaattarief CBAM, oftewel het “Carbon Border Adjustment Mechanism”. Dat legt op Trumpiaanse wijze douanetarieven op aan handelspartners wanneer die volgens de EU de Europese klimaatpolitiek niet voldoende overnemen. Dit terwijl dat soort beleid grote schade aanricht aan de concurrentiekracht van Europese ondernemingen, omdat het de energieprijzen in Europa extreem duur houdt op kunstmatige wijze.
India sloot dan wel onlangs een handelsakkoord af met de EU, het is bijzonder misnoegd over CBAM. Ook armere Afrikaanse landen worden hard getroffen.
Voorts zijn er ook de oplopende spanningen met China, als gevolg van de Chinese exportgroei. Die is kunstmatig opgeblazen door een ondergewaardeerde munt en massale subsidies. Onlangs kwamen de EU en China overeen om drie maanden lang onderhandelingen te voeren om een handelsoorlog over het handelsonevenwicht te voorkomen, in hun eerste gezamenlijke verklaring in zeven jaar, maar er is bijzonder veel druk om net zoals Trump hogere douanetarieven op te leggen aan China.
Dergelijk ‘oog-om-oog’-protectionisme tegen China heeft de afgelopen jaren in de feiten echter geen positieve resultaten opgeleverd. In 2024 slaagde de invoering van EU-tarieven er niet in de invoer van Chinese elektrische auto’s te beteugelen, aangezien Chinese producenten overstapten op hybride auto’s en lokale productie als reactie hierop. In april 2025, nadat de Amerikaanse president Donald Trump de invoerheffingen voor China had opgevoerd tot meer dan 100 procent, reageerde China door de export van zeldzame aardmetalen op gerichte wijze te beperken, waardoor Amerikaanse defensie- en autofabrikanten werden geraakt en wereldwijde industriële toeleveringsketens werden verstoord. Chinese exporteurs leidden handelsstromen ook simpelweg om via Zuidoost-Azië en Mexico om de Amerikaanse invoerheffingen te omzeilen. Na gesprekken met de Chinese president Xi in oktober 2025 verlaagde Trump opnieuw een deel van de invoerheffingen op China.
Een nieuwe studie van economen Joep Konings, Glenn Magerman en Alberto Palazzolo toont nu aan dat voor de EU een handelsoorlog met China ook gewoon geen goed idee is. Volgens de studie zou de Europese economie fors worden getroffen in geval van gerichte Chinese vergeldingsmaatregelen tegen specifieke EU-exportsectoren. Chinese vergeldingsmaatregelen zou „het gemiddelde BBP-verlies voor de EU“ 0,07% van het EU-BBP bedragen.
Daniel Kral van Oxford Economics merkte onlangs het volgende op: „Het belangrijkste probleem van de EU is niet dat China goederen in de EU dumpt – aangezien het aandeel van de EU in de Chinese export stabiel is. Het gaat in de eerste plaats om een verlies aan marktaandeel van EU-exporteurs op derde markten, en in de tweede plaats om een duizelingwekkende ineenstorting van het aandeel van de EU in de Chinese invoer – van 12% in 2019 naar 8% nu. Er zijn geen EU-maatregelen die deze twee zaken aanpakken.”
Zelfs wie dus voorstander is van meer protectionisme ten opzichte van China, zou op zijn minst moeten eisen dat de EU minstens de eigen suîcidale klimaatpolitiek opgeeft alvorens de eigen consumenten en importeurs te treffen door hogere douanetarieven.
Daarenboven zou men op EU-niveau moeten inzien dat een harde confrontatie met China of zelfs de V.S. vereist dat men op het minst goede banden onderhoudt met andere handelspartners. De EU sloot de afgelopen jaren zeker wel wat nieuwe handelsakkoorden af, wat een goede zaak is, maar de Brusselse regelwoede zorgt echter opnieuw voor heel wat nieuw protectionisme langs de achterdeur. Wie ruzie maakt met al zijn vrienden, maakt beter geen nieuwe vijanden.